» 

diccionario analógico

hacer, serworden - encantar, fascinar, hipnotizarbiologeren, fascineren, hypnotiseren, hypnotizeren, in beslag nemen helemaal - asearse, lavarse, limpiar, limpiarsedoen, kuisen, poetsen, reinigen, reinigend, schoonmaken - preferentepreferent, preferentieel, prioriteits-, voorkeur gevend, voorkeur hebbend, voorkeurs- - een lijn trekken - cisma, escisiónscheuring, schisma, splitsing - couvade (en) - agrazón, atufamiento, atufo, broma, carlanca, contrariedad, disgusto, enfado, enojo, fastidio, grima, incomodidad, molestia, vejaciónergernis, irritatie - adoptar, ahijaraannemen, adopteren, adoptie - acoso sexualongewenste intimiteiten - denazificeren - abandonar, dejar, dejar solo ante el peligro, desamparar, desasistirachterlaten, afvallen, in de steek laten, laten vallen, laten zitten, opgeven, verlaten, verzaken - give (en) - give (en) - disculpar, dispensar, eximirabsolveren, kwijtschelden, kwiteren, verknallen, vrijstellen - absolver, descargar, disculpar, exculpar, vindicarvan alle blaam zuiveren, vrijpleiten, vrijspreken, vrijverklaren - poner en peligrocompromitteren, in gevaar brengen, torpederen - compromise (en) - aansluiting, anschluss - meedelen - agruparsegroeperen, zich groeperen - social control (en) - dwangmaatregel, sanctie, sanctiemaatregel, strafmaatregel - aculturaciónsocialisatie - alimentación, cría, crianza, educaciónopvoeding - patriarcalpatriarchaal - aguantar, tenerhouden, voeren - matriarcalmatriarchaal - volgen - beheersen - cautivar, deleitar, embelesar, embrujar, encantar, extasiar, fascinar, hechizar, intrigar, seducirbekoren, betoveren, charmeren, fascineren, intrigeren, magnetiseren - influirse mutuamente, interactuar, relacionarsecoöpereren, op elkaar inwerken, samendoen, samenwerken - desmenuzar, hacer pedazos, romperuit elkaar gaan, uit elkaar halen - delen - combineren, relateren - consentir, criar entre algodones, cuidar, cuidar mucho, mimarbederven, bemoederen, in de watten leggen, koesteren, liefderijk verzorgen, vertroetelen, verwennen - acompañar, ir con, venir conbegeleiden, meegaan met, meekomen met, meelopen met, vergezellen - pascualpaas- - socialsociaal - maoísmomaoïsme - amores, amorío, cortejo, festejo, galanteo, relacióngeflirt, verkering, vrijage - feudalismofeodalisme, feodaliteit, leenstelsel - patriarcado, patriciadopatriarchaat, patriciaat, vaderrecht - matriarcadomatriarchaat, moederrecht - hegemoníahegemonie - oligarquíaoligarchie - plutocraciageldaristocratie, plutocratie - tecnocraciatechnocratie - monarquíakoningschap, koninkrijk, monarchie - diarquíadubbele - capitalismokapitalisme - industrialismoindustrialisme - economía de mercadomarkteconomie, vrije-markteconomie - capitalismo de estadostaatskapitalisme - nacionalsocialismo, nazismonationaal-socialisme, nazisme - ecosistemaecosysteem - maatschappijvorm - apartheid, segregación racialapartheid, apartheidspolitiek, rassenscheiding, segregatie - americanización, cocacolonizaciónamerikanisering, amerikanizering - Europeanisation, Europeanization (en) - Westernisation, Westernization (en) - intercambio, relación, tratobetrekkingen, verstandelijkheid - imbricación, interdependenciainterdependentie - relaciónhoedanigheid, kwaliteit - relación, tratohoedanigheid, kwaliteit, verhouding, verwantschap - handelsrelatie, zakenrelatie, zakenvriend - camaradería, compañerismo, compañíaaanspraak, gezelschap, samenzijn, vennootschap, vriendschap - vrijmetselarij - affiliation, association, tie, tie-up (en) - asimilaciónassimilatie - amorío, aventura amorosa, lío, relación, relaciones, relaciones amorosasaffaire, avontuurtje, intimiteit, liefdesverhouding, relatie, verhouding - conflicto de los intereses, incompatibilidad - estratificación[Domaine]

-