Publicidad ▼


 » 

diccionario analógico

factotum (en)[Domaine]

instance (en)[Domaine]

parecereruitzien, ogen, tonen, zien - doler, padecer de, sentir dolor, sufrir, sufrir de, tener dolorlijden aan, opvreten, pijn hebben, vergaan - caer bien, estar bien, estar bueno, estar en plena forma, ir bien, sentar biengoed gaan, goed staan, het goed doen - suffer (en) - encontrarse, sentirsezich voelen - mantenerse, quedarseblijven, uitblijven, wegblijven - doorgaan - lucirsefonkelen, sprankelen - asombrar, aturdir, confundir, dejar perplejo, desconcentrar, desconcertar, desorientar, embrollar, enredar, ofuscar, pasmar, turbarepateren, in verwarring brengen, puzzelen, verbazen, verbijsteren, verwarren, verwonderen - plaatsen, zich bevinden - point (en) - hacer falta, necesitar, precisar, querer, requerirbehoefte, behoeven, disfunctioneren, hoeven, mankeren, nodig hebben, schelen, vereisen - compact, pack (en) - apoyar, apoyarseliggen, liggend, rusten - cut (en) - enfadarse, indignarse, rabiar - ir de aquí para allá, merodearrondhangen - aparecer, comparecer, parecer, parece ser queaandoen, dunken, eruitzien, er uitzien, lijken, ogen, optreden, ruiken, schijnen, toelijken, toeschijnen, tonen, verschijnen, voorkomen, zien - parecerblijken - deberdanken, schuldig zijn - pertenecer, pertenecer a, ser de, ser propiedad deaanbehoren, behoren tot, toebehoren, toebehoren aan, van, zijn van - cubrir, llegar paradekken - vertegenwoordigen - account (en) - cut across (en) - beginnen - beginnen - aanliggen, liggen, staan - definirse, delimitar, especificar - estar, sergaan - tener sentidobetekenisvol zijn, kloppen - componerse de, consistir en, constar debestaan, bestaan uit, gelijkstaan - demostrar, probar, resultarblijken, leiden, resulteren, uitdraaien, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen - account for (en) - achterblijven, overblijven, overschieten, resten, resteren - adherirse a, mantenerse fielbijstaan, gereedstaan, klaarstaan, plakken - correr por, dar vueltas, deambular, demorarse, entretenerse, haraganear, holgazanear, perder el tiempo, pulular, quedarse, rezagarseechtbreken, fröbelen, knutselen, lanterfanten, leeglopen, lummelen, rondbanjeren, rondhangen, rondlummelen, rotzooien, slungelen, straatslijpen, treuzelen, vreemdgaan - ascender a, elevarse a, equivaler, hacer, ser, subir a, sumar, venir a ser lo mismobedragen, belopen, gelijkstaan met, komen op - contar, importar, importar a, ser de importancia, ser importante, ser relevante, tener importancia, tener relevanciabelangrijk zijn, er iets toe doen, ertoe doen, er toe doen, er wel toe doen, gelden, iets kunnen schelen, iets uitmaken, meespelen, meespreken, relevant zijn, schelen, spelen, tellen, ter zake doen, uitmaken, van belang zijn, van betekenis zijn, verrekken, verrotten, wel kunnen schelen, wel uitmaken - rate (en) - ameritar, merecer, ser digno de, valerrecht hebben op, toekomen, verdienen, waard zijn - lonen, renderen - shine (en) - fall (en) - depender, depender deafhangen van, berusten - estar debajo deten grondslag liggen aan - stink (en) - apretartegengesteld zijn - body forth, embody, incarnate, substantiate (en) - tener cabidaplaats hebben voor - valerbedragen, belopen, komen, maken, worden, zijn - medirmeten - bullir, en actividad estar, zumbargonzen, gonzen van de activiteiten, roezemoezen, roezen - abundarovervloedig aanwezig zijn, overvloedig zijn - no estar calificado, no estar preparado, sentar malafwijken, niet goed bekomen - mirar boquiabiertoaangapen, gapen - tender a, tener tendencia ade neiging hebben, de neiging hebben om, de neiging hebben tot, plegen, tenderen, zwemen - go, run (en) - constar, figurarmeespelen - press (en) - arrasar, bramar, desarollarse ferozmente, enfurecerse, hacer estragosrazen, woeden - con relación a, estar conectado con, estar relacionado, guardar relación con, interrelacionarse, relacionar conbetreffen, samenhangen met, verband houden met, verbonden zijn met - estar en celobronstig zijn - stagnate (en) - estancarsestagneren - ser útil, servirhandig zijn, van pas komen - squat (en) - hoodoo (en) - amenazar, ser inminentedreigen, ophanden zijn, op handen zijn, op komst zijn - variarvariëren - continuar, permanecer, quedar, quedarse, seguiraanblijven, blijven, overblijven - venderse - translate (en) - dirigirbijdraaien - dirigirse, ir a, marchar - compararse, poderse compararvergelijken - komen, staan, vallen - encounter, run into (en) - gravitate (en) - betalen, verdienen - diverge (en) - brillar, destacar, sobresaliruitblinken - iridesce (en) - schuilen, schuilgaan - alzar, estar de pie, levantar, poner de piestaan - hang (en) - litter (en) - llegar oportunamente, ser conveniente, ser oportuno, venir a propósito, venir bien, venir de primeragelegen komen, passen, staan, treffen, van pas komen, verhouden - eindigen - caber, quedar, ser apropiadopassen, sluiten, zitten - blootstaan, openstaan, vaceren, vrijstaan - ontspannen - behoren, horen, ressorteren, vallen - behoren, betamen, horen, passen - hacer curva, serpentear, torcerse, zigzaguearafbuigen, buigen, kronkelen - emburujarse, hacer un revoltillo, mezclar, mezclarse - beloven, toezeggen, voorspellen - aguantar, coger, llevar, soportar - lavarse, limpiarse - atraer, llevartrekken - lavar, lavarsewassen - balanceren - ser proceder de - act (en) - test (en) - seem (en) - satisfacervoldoen aan - beat (en) - hold (en) - contain (en) - connect (en) - sell (en) - sell (en) - doden - make (en) - adorn, beautify, deck, decorate, embellish, grace (en) - consist (en) - work (en) - lubricate (en) - breathe (en) - trim (en) - swing (en) - osculate (en) - retard (en) - transplant (en) - adherirse - objetarbezwaar maken - stick (en) - recognize (en) - distribute (en) - put out (en) - formar parte de, pertenecer a, ser miembrobehoren, behoren tot, deel uitmaken van, deel zijn van, horen, lid zijn van, ressorteren, thuishoren, thuishoren bij, toebehoren, toehoren, vallen, zijn - versieren - suck (en) - count (en) - bake, broil (en) - drown, swim (en) - dar vueltasduizelen - belong (en)[Spéc.]

bestaan (v.) • bevinden (v. trans.) • estar (v.) • ser (v.) • steken (v.) • uitmaken (v. trans.) • verkeren (v.) • vormen (v. trans.) • zijn (v.) • zitten (v. intr.)

-

 


   Publicidad ▼