Publicidad ▼


 » 

diccionario analógico

salir de casahet huis verlaten, uitgaan, uitlopen - despedirse, marchar, partirafscheid nemen - pop off (en) - llevarse, marcharse - hightail (en) - dar plantón, marcharse enfadadoweglopen - come away (en) - irse, largarsehet op een lopen zetten, ophoepelen, vluchten, wegstuiven - largarse, pirarseophoepelen, opstappen, verwijderen uit - decir a boca de jarroheenrennen, weghollen, wegrennen, wegstormen - afrijden - go out (en) - demorar, demorarse, perdurar, persistir, quedarse, quedarse atrás, tardarbeiden, dralen, dreutelen, lijmen, lijntrekken, neutelen, talmen, teuten, treuzelen, tutten - ausentarse, irse, ir tirando, largarse, partir, salirafreizen, aftrekken, gaan, opstappen, vertrekken, weggaan - salir a la luzheentrekken, uitkrijgen, uittrekken, wegtrekken - rajarse - escaparse, fugarse, huir, largarseheenrennen, weghollen, wegrennen, wegstormen - escabullirse, marcharse sigilosamentewegfrommelen, wegsluipen - abandonar, desalojar, evacuarontruimen - a la darse fuga, dar esquinazo a alguien, escapar, escaparse, evadirse, fugarse, huir, intentar escapar, irseontglippen, ontkomen, ontslippen, ontsnappen, ontvlieden, ontvluchten, op de vlucht slaan, vlieden, wegkomen, weglopen, zich losrukken - escapar, escaparse, evadirse, fugarse, huir, largarse, soltarse, tratar de escapar/evadirse, volarontvlieden, ontvluchten, proberen te ontsnappen, spankeren, uitbreken, vlieden, vluchten, weglopen, wegvluchten, zich losmaken - desert (en)[Spéc.]

adiós, despedida, partida, separaciónafscheid, breukvlak, vaarwel - caminantedoorzetter, voetganger[Dérivé]

bundle off (en)[Cause]

emigrar, transmigraremigreren, expatriëren - acometer, llevarsebekruipen, heenvoeren, wegdragen, wegleiden, wegslepen, wegvoeren - achterlaten, laten - abandonar, apagarse, dejar, escaparse, irse, largarse, marcharse, partir, retirarse, salirontsnappen, uitgaan, uitvoegen - abandonar, dejar, irse, largarse, marcharse, retirarse, salir deachterlaten, verlaten, weggaan[Domaine]

alcanzar, atravesar, cruzar, ir, llegar, tomar, veniraanbelanden, aankomen, aanlanden, arriveren, belanden, halen, komen, komen aanzetten, opdagen, staan, terechtkomen, vallen[Ant.]

afnokken (v.) • aftaaien (v.) • begeven (v.) • gaan (v.) • heengaan (v. intr.) • ir (v. intr.) • marchar (v. intr.) • moven (v.) • nokken (v.) • opbreken (v. intr.) • opdonderen (v.) • opduvelen (v.) • opflikkeren (v.) • ophoepelen (v.) • opkramen (v.) • opkrassen (v.) • oplazeren (v.) • opmieteren (v.) • oprotten (v.) • oprukken (v. intr.) • opsodemieteren (v.) • opstappen (v. intr.) • optrekken (v.) • partir (v.) • verwijderen (v. trans.) • wegwezen (v.)

-

 


   Publicidad ▼