Publicidad ▼


 » 

diccionario analógico

palaeopathology, paleopathology[Spéc.]

kwaal, pathisch, pathologisch, patisch, patologisch, ziek, ziekelijk, ziektediseased, morbid, pathologic, pathological[Rel.Pr.]

pathologiste (fr) - pathologischpathologic, pathological[Dérivé]

diagnosticus, patholoog, patholoog-anatome, patholoog-anatoom, patoloog-anatome, patoloog-anatoomanatomopathologist, diagnostician, pathologist[PersonneQuiFait]

active - inactive - indolent - functional - orgaan-, organischorganic - specific - nonspecific - stegnotic, stenosal, stenosed, stenotic - irritable - fistular, fistulate, fistulous - goedaardigbenign - malignant - krampspasm - strangulatie, wurgingstrangulation - opschepperij, spiertrekking, zenuwtrekkingjactation, jactitation - nebula - wratverruca, wart - tandaanslagplaque - blaar, blaas, blister, blisterverpakking, brandblaar, trekpleisterbleb, blister, bulla, vesicle - excrescence - shock, shocktoestandshock - insufficiency - gezwel, tumor, vegetatie, woekeren, woekeringgrowth - cold gangrene, dry gangrene, mumification necrosis, mummification - clostridial myonecrosis, emphysematous gangrene, emphysematous phlegmon, gangrenous emphysema, gaseous gangrene, gas gangrene, gas phlegmon, progressive emphysematous necrosis - irritatieirritation - amyloid - incubatietijd, uitbroeidenincubation - latent - quiescent[Domaine]

nosologie (n.) • pathologie (n.f.) • pathology (n.) • patologie (n.f.) • ziektenkunde (n.) • ziektenleer (n.f.)

-

 


   Publicidad ▼