Publicidad ▼


 » 

diccionario analógico

(apurarse; darse priso; apresurarse; darse prisa; correr; corretear; escabullirse; aligerar; apresurar, meter prisa; apresurarse, aligerar, darse prisa; apresurar; salir corriendo/pitando; zafarse; ir corriendo; echar a correr), (prontitud; rapidez), (acucia; apresuramiento; rapidez; prisa; apresuración; impetuosidad; precipitación; urgencia; lo inesperado; brusquedad; cualidad de repentino/súbito)(ijlen; haast maken; jachten; zich reppen; zich haasten; opschieten; wegstuiven; opschieten!; rennen; haastig rennen; doen zinken), (radheid; rapheid), (haastigheid; spoed; haast; gauwigheid; overhaasting; bruuskheid; onverhoedsheid)[Thème]

(ligereza; celeridad; prontitud; rapidez; velocidad)(snelheid; gang; gangetje; tempo; vaart; vaartje; rijsnelheid; vaarsnelheid; vlugheid)[Caract.]

soudain et imprévu (fr)[Caract.]

(anteceder a; preceder a), (representación para la prensa; preestreno), (pasado; ayer; tiempo pasado; antaño; antigüedad; tiempos remotos), (antecesor; antecesora; predecesor; predecesora; precursor)(voorafgaan; voorgaan; voorafgaan aan), (persvoorstelling; voorbeschouwing; vooruitblik; preview; voorpremière; voorvertoning), (vroegere tijd; verleden; verleden tijd; oudheid; vervlogen tijden), (voorganger; voorgangster; voorouder; voorloper)[Caract.]

prendre un raccourci (fr)[Caract.]

vif (fr)[Caract.]

accès brutal d'une maladie (fr)[Caract.]

autovía; autopistaautobaan; autoweg; snelweg; autosnelweg[Caract.]

fermer et rouvrir rapidement les yeux (fr)[Caract.]

succession rapide de notes chantées (fr)[Caract.]

manger rapidement (fr)[Caract.]

véhicule rapide (fr)[Caract.]

acte ou action brève ou rapide (fr)[Caract.]

musique ou danse à rythme rapide (fr)[Caract.]

réponse immédiate et vive (fr)[Caract.]

restaurante autoservicio; restaurante de autoservicio; comida rápidazelfbedieningrestaurant; snack[Caract.]

réalisé immédiatement, aussitôt (fr)[Caract.]

(ligereza; celeridad; prontitud; rapidez; velocidad)(snelheid; gang; gangetje; tempo; vaart; vaartje; rijsnelheid; vaarsnelheid; vlugheid)[Caract.]

lancer vivement (un propos) (fr)[Caract.]

faire qqch sans préparation (fr)[Caract.]

afán, asiduidad, celo, diligencia, laboriosidadbedrijvigheid, ijver, vlijt - impertinencia, mal genio, malhumor, mal humorgemelijkheid, knorrigheid, kribbigheid, prikkelbaarheid - cebra, zebrazebra - aportillarse, ceder, dar de sí, derrumbarse, desplomarse, fallar, venirse abajobezwijken, het begeven, ineenstorten, instorten, invallen, meegeven, schranken, uitzakken, vergaan, verteren, verzakken - chisguete, chispazo, espolada, latigazo, lingotazo, pelotazo, sorbetón, sorbo, tiento, tragantada, trinquisteug - aspereza, brusquedad, irritabilidad, malhumor, rudeza, sequedadbitsheid, boosheid, botheid, bruuskheid, chicheid, norsheid, schorheid - grand galop, triple galot (fr) - impacienciaongeduld - alegría, atolondramiento, aturdimiento, impetuosidad, imprudencia, inconsciencia, temeridadonbesuisdheid, onbezonnenheid, roekeloosheid - amenazarbedreigen, dreigen - abattre (fr) - advenediza, advenedizo, arribista, nueva rica, nuevorico, trepaarrivé, geldadel, nouveau riche, opkomeling, parvenu, parvenue - torrentebergbeek - estenografía, taquigrafíabrachygrafie, snelschrift, steno, stenografie, stenogram, tachygrafie - amanuense, escribiente, estenógrafa, estenógrafo, taquígrafa, taquígrafo, taquimecanógrafa, taquimecanógrafosnelschrijfster, snelschrijver, stenograaf, stenografe, stenotypist, stenotypiste - mutation (fr) - crepitarknisperen - délitescence (fr) - turbofan, turbojet - trotter (fr) - trottiner (fr) - quatre à quatre (fr) - accéléré (fr) - aire, brío, dinamicidad, dinamismo, entusiasmo, garbo, vivezaanimo, dynamiek, flair, schwung, spirit, verve - sollozogesnik, snik - aumento rápido, explosiónexplosie - empujar, meter prisaopdringen - acezar, anhelar, emitir un grito sofocado, jadear, resollar, respirar con dificultadhijgen, naar adem snakken, puffen - direct access (en) - en un decir amén, en un santiaménin een handomdraai, in een vloek en een zucht - inminencianabijheid, nadering - dinamismo, empuje, energía, ímpetuarbeidsvermogen, energie, fut - catalizadorhulpstof, katalysator - acorrer, acudiraansnellen, toesnellen - activation (fr) - de frente, frontalfrontaal, pal - croquer (fr) - abalanzarse, abalanzarse sobre, arrojarse, atacar, caer sobre, calar, lanzarse sobre, precipitarse, saltar sobre, tirarse/caer en picadoaanvallen, bespringen, neerduiken, overvallen, springen, stormen, stoten - corredora de carreras cortas, corredor de carreras cortas, esprinter, esprínter, sprinter, sprínter, velocistakorte-afstandloopster, korte-afstandloper, sprinter, sprintster - mitrailler (fr) - saisir (fr) - cursiva, cursivo, itálicocursief, kursief, met cursieve letter - pocher (fr) - au galop! (fr) - gambiller (fr) - bombardear, lanzar, tirarbekogelen, toegooien, toewerpen - monter comme une flèche (fr) - emballer (fr) - donner un coup (fr) - croquer (fr) - giroscopio, giróscopogyroscoop - galopantesnel stijgend - turbo, turbo-turbo-, turbo{#169} - piler (fr) - commando (fr) - monter en graine (fr) - randonnée (fr) - saute (fr) - manger un morceau (fr) - hot, hot-jazz (fr) - short takeoff and landing (en) - argyraspide (fr) - boire cul sec, boire cul-sec (fr) - foto, fotografia, fotografía, foto instantánea, instantánea, tomafoto, fotografie, kiekje, momentopname, opname - ne pas se faire prier, ne pas se le faire dire deux fois (fr) - backbone (en) - survol (fr) - tortiller (fr) - mutaciónmutatie - trepadorgewichtig, overdreven, positiebewust - irse corriendozich weghaasten - de prisa prepararin elkaar draaien[Caract.]

-

 


   Publicidad ▼